| | | Welkom op deze bijzondere bladzij van boekenopenerL.W. van Poortland, M.A. Vage Willem en de Schuur der Zestig Biervlessen Een pleidooi tegen de politiek, van Gandulf (Kutjekijk) Sasboldszoon vanop Kattenbaai, student Techniek & Electronica aan het Koninklijk Pedagogisch College van onze Hoofdstad, geïllustreerd – niet met beeld maar met woord – door proeven uit de Beginselen van zijn verstorven vader, Sasbold (de Dooie) Demetriuszoon, eveneens vanop Kattenbaai, voorman en bladkerver aan de aldaar vanouds gevestigde Vlierbessenwijnfabriek met Konkinklijk Patent B. De Sureau & Fils. Opgedragen aan mijn kinderen J.S. en J. en mijn vader W., en aan de nagedachtenis van H.K.L. (1902-1998) en misschien aan H. de M. – maar dat weet ik nog niet zeker. Ik houd u op de hoogte. Tweede vervolg:
Hoofdstuk 3 DE PIRTJES Of: Wat Groeit Harder Als Kool Op Het Land?
Het pand in het Zeevaarderskwartier bezat – en zo God het wil bezit het nog steeds – een zware, dubbelbrede, donkergroene voordeur, kenmerkend voor de tijd en sociale klasse waarin welgestelde dames met veel onderrokken getooid gingen en dus een ruime in- en uitgang behoefden.
Op den duur was natuurlijk de aanwezigheid van zo’n overbemeten deur al genoeg om klasse te suggereren. Op Kattenbaai zijn er twee gebouwen met zo een deur: Hotel Marktzicht (waarin Koning Ecgbryht II gelogeerd en gedineerd heeft) en Villa Sureau (dito). Het was de tijd dat mijn overgrootvader Catharinus Esmoreitszoon als eenvoudig arbeider plotseling en compleet onverwacht geldelijke en persoonlijks steun verwierf van genoemde vorst, en hij de alom vermaarde Koninklijke Woningbouwvereniging Kattenbaai oprichtte. Ook in die tijd trok hij zich terug uit de Vlierbessenwijnfabriek B. De Sureau & Fils en ging fietsen verhuren, alhoewel hij zelf de kunst van het besturen van het ijzeren ros niet machtig was. Daarin had Ome Caat zeker niet overdreven in de discussie om het fietserstandbeeld. Als een cliënt wel eens een fiets kwam huren en zelf ook niet fietsen kon, dan werd Caat de Bouwers jongste zoon, mijn Opa Demetrius Catharinuszoon, erbij geroepen om de klant de juiste vaardigheid bij te brengen. Ik heb dat wel eens meegemaakt. Opa Demi plaatste de klant op het zadel, en balanceerde de fiets terwijl hij naar de achterzijde toeschuifelde. -Daar gaat ie! riep Opa. Hij duwde de fiets met volle kracht aan de bagagedrager, en riep: -Poten op de trappers! Draaien! De klant gehoorzaamde, en op hetzelfde ogenblik gaf Opa Demi de fiets een extra zet, en liet los. -Trappen, godverredomme trappen! Tachtig in de bocht! De keer dat ik erbij was liep het goed af, en wist de novice zich overeind te houden. Opa Demi deed nog een paar maal voor hoe je uit stilstand kon wegkomen, en ging weer de werkplaats in. Hij had zelf leren fietsen van zijn oudste broer Catharinus, Caat de Korporaal. Die was in de Oorlog gemobiliseerd, en bracht het eerst tot rijwielordonnans, en later tot motorordonnans en zelfs chauffeur. Na zijn diensttijd is mijn Oudoom Caat de Korporaal chauffeur geworden bij een edelman wiens naam het mij onverstandig lijkt op deze bladzijden te noemen. Ik ken de predilectie van ’s mans nazaten voor het voeren van langdurige, opzienbarende en kostbare processen; althans, kostbaar voor hun tegenpartij. Oom Caat de Korporaal reed (of mag je hier zeggen: voer?) voor zijn adellijke werkgever een heuse Hispano Suiza. Met zulke mensen kun je maar beter voorzichtig omgaan. Bovendien was deze edelman nauw verwant aan de Minister van Cultuur, en dus aan ons Koningshuis; reden temeer om hier in de hoogste graad discretie, kiesheid en zelfbeheersing te betrachten. Mijn fietsende grootvader Demetrius Catharinuszoon – Demi de Fietsenmaker – is degeen die na twintig jaar arbeid op de Vlierbessenwijnfabriek B. De Sureau, zich evenals zijn vader daarvan losmaakte en zich samen met zijn zoon Caat de Brandweerman vestigde met de eerste en totnu toe enige fietsenzaak (winkel plus werkplaats) van het eiland. Mijn dubbeltweelingneef Rudi de Pisser is dus de vierde van onze familie – na zijn vader, grootvader en overgrootvader – die een boterham vond in de fietsenbranche. Caat de Brandweermans bijnaam bleef hangen, temeer daar hij vooraanstaand lid bleef van de Kebaaise vrijwillige brandweer. En Neef Rudi kwam ook niet meer van zijn alias af toen hij in de fietsenzaak stapte. Die kwalijke bijnaam had hij als kleine knaap al verworven door bij het buiten spelen geen enkele discretie aan den dag te leggen bij het ledigen van zijn blaas. In tegendeel: hij plaste pontificaal tegen zijn speelnootjes aan en over ze heen. -Moe, Rudi plast over ons heen! riep mijn zus Gerda, die aangeslagen en in een onmiskenbare wolk piesgeur het huis kwam binnengerend. -Speel maar niet meer met die jongen, Gerd. En jij ook, Gandi. Dat wordt niks met die Rudi. -Heeft ie van zijn vader, mompelde mijn vader vanonder de schemerlamp. En zo groeiden wij – mijn tweelingdubbelneef en ik – min of meer gescheiden op, gescheiden door het abstract maar oerscherp prikkeldraad dat mijn vader en moeder uitrolden. Wel zagen wij elkaar bij de zondagse familiebijeenkomsten – daaraan kon en kun je op Kattenbaai niet ontkomen – maar mijn vader en moeder gingen nooit onafhankelijk op bezoek bij hun broer en zus. Bovendien hadden ze bij Oom Caat en Tante Nervia een vies soort hondje, zo’n grijs-roze doorkijkmaltezer. Toen ik wat meer begrip voor de wereld had – ik was zes denk ik – vroeg ik mijn vader eens: -Va, waar staan bij Oom Caat de boeken eigenlijk? Mijn vader lachte gnuivend. -Boeken? Die heeft hij niet. Ik heb alle boeken van Caat de Bouwer georven. Kijk maar. En hij maakte een breed gebaar naar de boekenplanken achter hem. -Ga dit maar eens proberen. Hij nam een donkerrood deel uit een rijtje van zes en legde dat voor me neer. Ik deed het open en las op de eerste bladzijde tekst: -DE DRIE GESCHENKEN VAN DEN HEER D.... -d’Artagnan... -D’ARTAGNAN SENIOR... Op den eersten Maandag van April 1625 verkeerde het gehucht Meung.... -Ik kreeg dat van mijn Opa toen ik zo oud was als jij, zei mijn vader. Het bleef lange tijd stil. Zelfs mijn moeder zei even niets. Dan ging Sas de Bladkerver weer naar zijn schoendoos met de papieren Beginselen. Hij begon te schrijven. Misschien wel dit: Nr 107 Vage Willem loopt in de Schuur der Zestig Biervlessen rond. Hij lacht nooit. Nooit, behalve als een chef een mopje vertelt. Dan schokschoudert en hinnikt hij tot hij erbij lijkt neer te vallen. Maar anders lacht hij nooit. Zou hij lachen als ik hem een mopje vertelde? denkt Vage Willem. Het mopje van de geile haan, of de kruisridder, of Mohammed, of Prinses Christina, of de vrouw die een kind kreeg... Vage Willem is voorman van de kurkerij, maar je komt hem op alle afdelingen tegen. Er zijn wel meer van die figuren, maar hij knoopt nergens een gesprek aan. Hij kijkt alleen maar. Op de eerste werkdag van het nieuwe jaar – De Schuur der Zestig Biervlessen heeft een week stil gelegen – komen wij allen zoals elk jaar ’s morgens vroeg bijeen in de kantine voor de Nieuwjaarszuurkool. Onze directeur, Meneer Wim, staat voor de katheter, ziet dat wij er allen zijn, en zegt met een olijk lichtje in zijn ogen: -Beste kinderen... Vage Willem hinnikt en snuift, waarbij hij zijn zwakke kin naar voren duwt en het uiterlijk van een hyena krijgt. Achterin de zaal fluit een oudere arbeider afkeurend op de vingers. Vage Willem trekt een potlood uit zijn borstzak, schreeuwt: -Seniele lul! en gooit het potlood naar de fluitist. Het landt echter op het hoofd van de man die vóór hem zit. Sneller dan het menselijk oog kan waarnemen, vliegt de inhoud van een rijkgevuld bord Nieuwjaarszuurkool naar voren, duidelijk op Vage Willem gericht. Maar ook hier landt het projectiel door een surplus aan zwaartekracht eerder dan voorzien en bedekt het gezicht van een keurig geklede kantoorpik. Terwijl een ongebreideld gooien, schreeuwen en lachen losbreekt, verdwijnt Meneer Wim stilletjes. Dit was het laatste jaar met Nieuwjaarszuurkool en toespraak. [uit de Beginselen van Sasbold Demetriuszoon] Met maar liefst vier enorme hangen was de deur aan het kozijn afgehangen. Ik stak de sleutel in het slot, duwde de loodzware deur open en betrad de vestibule. Aan de binnenzijde van de deur was een kist voor de post getimmerd. De ruimte was voor het grootste deel gevuld met armoedige, verveloze fietsen van goedkoop binnenlands makelij (merk Germaan of Eland), de helft waarvan met lekke banden, bungelende cranks, gebroken bagagedrager en tot op het bot verdroogde ketting. In een hoek stond een grote doos waarin een tv-toestel verpakt was geweest. De doos was tot de rand toe gevuld met papier: kranten en reclame. Op de vierde en vijfde trede van de trap lagen er stapels van hetzelfde. De reclameblaadjes van een geur en fleur zoals we die op Kattenbaai niet kenden. Snellerder op de hoochte! Miljeuvriendenlijk! Beterder leesbaar! Overzichtenlijk! Een koopervaaring! opende het krantje van een supermarkt. Ik las het bij het vage lantaarnpalenschijnsel dat door het bovenlicht viel. Het krantje stond – naast de taalfouten – bol van de schreeuwende kleurenplaatjes van kratten bier, vlees, mobiele telefoons, kaas, vissticks, douchebad, nog meer vlees, koffiebroodjes, tampons, blikken met van alles erin, kinderkleding, frisdranken, nog veel meer vlees, sauzen, dierenvoer en flessen rum. Het mooist was een pond trostomaten, die bloedrood en kerstbalglanzend opgepoetst in een rijtje van tweemaal zeven diagonaal op het blad stonden afgebeeld. Geen anspraaklijkheid voor druk fouten, eindigde het krantje. Voorzichtig legde ik het terug op de stapel. Tussen de fietswrakken was een smal pad, waarlangs ik voorzichtig verder de schemerige vestibule in schuifelde, op zoek naar een lichtknop. Maar achterin de ruimte was het aardedonker. Ik schuifelde terug naar de voordeur, en deed die wijdopen. Ik legde mijn tas – waarin naast mijn vaders Beginselen een aantal gloeilampen – op een bagagedrager, en nam een peertje uit de verpakking. Op dat moment sloeg achter mij met een galmende en sonore baritonklap de zware voordeur in het slot, vertraagd en versterkt door een overbemeten dranger. Ik bevond me weer in het donker, afgesneden van het straatlantaarnlicht, waarvan maar een zwakke echo door het bovenlicht kroop. In onze Hoofdstad ziet men ’s avonds langs alle straten en pleinen straatlantaarns branden, en ik denk niet dat de peertjes die men daarin gebruikt, zwakker zijn dan 1000 Watt. U merkt overigens, geduldige lezer, dat ik mij moeiteloos uitdruk als aankomend student Techniek en Electronica. Enerzijds valt het Stadsbestuur natuurlijk te laken om deze verkwisting van grondstoffen en belastinggeld. Anderzijds is het – zoals mijn verhaal terdege zal aantonen – niet eenvoudig in het duister zijn weg te vinden. Maar dit laatste geldt voor ons allen te allen plaatse en te allen tijde: in het duister is het niet eenvoudig zijn weg te vinden. De Minister van Cultuur is daarvan slechts één voorbeeld, al is het een voorbeeld met een voorbeeldfunctie. Maar genoeg over mijn Missie. Daarover later. Boven me werd bruusk een deur geopend. Een harde vrouwenstem, laag van toon en timbre, riep: -Kan het godverdomme wat zachter!!! -Neemt u mij niet kwalijk, zei ik, omhoog in het trapgat sprekend; -De deur sloeg dicht vanwege de tocht, weet u. En weet u misschien ook waar hier de.. Maar voordat ik het woord ‘schakelaar’ of ‘lichtknop’ kon uitbrengen, sloeg boven de deur alweer dicht, even bruusk als en met veel meer lawaai dan ze geopend was geworden. Merkwaardig gedrag, overwoog ik, voor iemand die zojuist hardop gevloekt heeft vanwege het dichtvallen van een deur. Ik ontstak de aansteker die Neef Rudi mij bij mijn afreis naarop de Hoofdstad geheimzinnig in de jaszak had gestopt met een gefluisterd: -Hier, steek bij je. Bewaart em goed. In de Hoofstad ken je niet sonder... en tastte bij het flauw schijnsel de muur net zo lang af tot ik op een schakelaar stiet, een rond, roodbruin bakelieten opbouwmodel met een draaiknop, precies zoals we op Kattenbaai hadden. In het boek over Moderne Techniek en Electronica, dat ik uit de Kebaaise Leeszaal geleend had om mij in het licht van mijn Missie de basisprincipes van deze wetenschappen eigen te maken, wist ik dat dit soort electra alom reeds langs was vervangen door gladde, witte inbouwelementen die niet gedraaid maar geklikt worden. Ik kreeg een beetje het gevoel, thuis te zijn. Bij het gezoek en getast kwamen mijn schenen diverse malen pijnlijk in aanraking met de trappers, mijn dijen met de afhangende stangen en mijn middel met de sturen van de fietswrakken. Dat wordt tetanus! schoot het door mij heen, en even flitsten de broers en zussen van mijn moeder Kornelia en Tante Nervia Hermanusdochter door mijn hoofd; ooms en tantes die ik nooit bij leven heb mogen zien, gestorven aan al dat soort armoedige aandoeningen die rondwaarden in de vochtige plaggenhutten en houten optrekjes waaraan Caat de Bouwer een eind maakte. TBC, hersenvliesontsteking, polio, idiotie, hydro- en microcefalie, FASD, tetanus, scheurbuik, influenza, nierstenen, aarskanker, tyfus, scheurbuik en schurft vierden eertijds in de hutjes, kotten en hokjes van Kattenbaai hoogtij, tot ver in de periode dat Caat de Bouwer en de zijnen daaraan een eind wisten te maken, en frisse, gezonde en prettige nieuwbouw lieten verrijzen. Na een paar maal draaien aan de voorwereldlijke schakelaar (het licht aandraaien, zeiden mijn Opa’s nog), begreep ik hoe een vooruitziende blik mijn ongeletterde huiseigenaar Chunni had gehad om mij in zijn (weet ge het nog?) demotische anakoloeten te laten weten pirtjes mee te brengen want U weet mar noit. Niettemin vroeg ik mij in gemoede af of het niet tot de contractuele verplichtingen van een verhuurder behoort, in het door hem/haar verhuurde object behoorlijke, althans werkende verlichtingselementen in stand te houden, danwel op deszelfs werking toe te zien. Ik nam mij voor, daarnaar eens te informeren. Hier in onze Hoofdstad – zo nam ik aan – zou men niet lang hoeven zoeken naar een praktiserend en wellicht betaalbaar raadsheer. Vaak bieden deze – zo had ik uit het eveneens uit de Kebaaise Leeszaal geleende Onze Hoofdstad begrepen – een gratis oriënterend gesprek aan. De faam van het nabij mijn nieuwe woning gevestigde advocatenkantoor Bakvis, Kwak & Luijendijk had het wat verouderd boekwerkje nog niet bereikt. Nee, het is andersom: het boekje Onze Hoofdstad had hun faam nog niet bereikt. BKL is een nu gevleugeld begrip dat in de Hoofdstad op ieders lippen ligt. Nee, dit is nogmaals onjuist: een naam die op ieders onderlip ligt, en aan dito bovenlip hangt. Laten we wel wezen. Als een begrip op iemands bovenlip wil liggen, moet men op zijn of haar kop gaan staan. En – welwillende lezer – ik mag er toch vanuit gaan dat gij tegen een voorstel in die richting een hartgrondig en welgemeend neen zoudt laten weerklinken. In de vlam van de aansteker verschijnt het rustige dodenmasker van mijn vader. Hij zegt, althans, lijkt te zeggen: Nr 12 Vage Willem komt met het pontje op ’t eiland aan, en moet daar enkele uren wachten op de aansluiting naar het volgende eiland. Het bootje schuifelt over het strand en de duinen de nevelige verte in – ja hij ziet het goed. Vage Willem en zijn vrouw zijn temidden van een grote groep reizigers van boord gesprongen. Even achter de duinen blijkt een welvoorziene Algemene Winkel te zijn gevestigd, genaamd De Schuur der Zestig Biervlessen. Een lelijk, gemeen oud heksje dat achter de overvolle toonbank staat, is ook de eigenaresse van alle rederijen en scheepslijnen in deze koude archipel, zo laat zij haar klanten weten. Het ruikt naar bloemkool. ‘Eet meer kruisbloemigen’, staat op een groot plakkaat achter de winkelierster te lezen. Moet je Vlier of passage? vraagt ze. De pont is al vertrokken als de groep reizigers op stokbrood en kaas knabbelend, sabbelend aan flessen, Vlier bij het havenhoofd aankomt. De reizigers werpen alles van zich af en waden de branding in om het schip in te halen. Raar, dit was daarnet toch een rivier? wijst Vage Willems vrouw op de koude zee. De zwemmers pakken zich vast aan wrakstukken en afval. Dan wordt het duidelijk hoe de rivier in zee heeft kunnen veranderen: er is een enorme dijkdoorbraak, waarheen ze nu met de handen peddelen, uitgestrekt op het afvalhout. Vage Willem hoort iets achter zich. Hij draait zich om en ziet in de hazelaarstruiken op de dijk een vijand sluipen. Die moeten we onschadelijk maken, zegt Vage Willems vrouw; onschadelijk, anders sloopt hij nog meer dijken. Vage Willem duikt ineen en besluipt de tegenstander van achteren, maar merkt dan dat die zwaar bewapend is: een enorm tweehands-zwaard hangt aan zijn zijde. De zwemmers – sommige van hen wanhopig watertrappend – vestigen hun laatste sprankje hoop op Vage Willem. Hij mag ze niet teleurstellen. Hij moet de vijand koud maken, uitschakelen, afmaken, om zeep helpen. Zeep! Vage Willem, sla toe, Val aan! Laat niet af! Red ons! [Uit de Beginselen van Sasbold Demetriuszoon] Met een ruwe vloek liet ik de inmiddels gloeiend heet geworden aansteker uit mijn hand vallen, zodat het volkomen donker weer de overhand nam in de vestibule. Afgaand op het vaag schijnsel dat maar net door het groezelig bovenlicht van de voordeur wist heen te dringen, vond ik het touw waarmee de deur kon worden geopend. Ik liet de deur aanstaan, maar zette er nu een fietswrak tegenaan, strak onder de deurknop. Bij het licht van de straatlantaarns klom ik op de bagagedrager van een der rijwielen, een peertje in de hand. Daar sloeg door de tocht de deur toch weer dicht. De fiets die ik als stut had gebruikt was gekanteld. Het hele pand trilde ervan na. Achter me, aan het eind van de duistere vestibule, ging een deur open. In het licht dat achter hem scheen, zag ik het bovenlichaam van een rokende slungel. Ik hield me op de bagagedrager in balans aan de spijlen van de trap. -Hebbie hulp nodig? vroeg hij. Maar boven riep dezelfde boze vrouwenstem van daarnet: -Godverdomme, kap met die herrie! -Ik hoor het al, mompelde de slungel, die zachtjes de deur sloot en verdween. Ik had inmiddels wel wat countrymuziek gehoord. -Kunt u mij misschien aan een trapje helpen, riep ik naar boven; -Een stoel is ook goed. Boven me bleef het even stil. -Hoezo? Ik sprong van de bagagedrager, en rende naar de trap, alwaar ik op de tweede trede postvatte. Met het rechterbeen op de derde trede en de gloeilamp in de hand omhooghoudend, vroeg ik: -Heeft u daar op de overloop geen licht? Misschien een hotelschakeling? -Nee. Wat lul je? Hotel? Uit de geopende deur stroomde naast muziek ook een gedempt licht, dat kennelijk genoeg was om mijn gestalte te kunnen onderscheiden. De vrouwenstem lachte hatelijk: -Godvergeme, het Vrijheidsbeeld. Ik kan me niet herinneren of ik lachte. Ik denk het niet; ik schrok eigenlijk alleen maar, in een allereerste reactie dat deze onzichtbare vrouw iets van mijn Missie afwist, en me daarom zo noemde: het Vrijheidsbeeld. Maar dat kon niet waar zijn; in ons land, in dit werelddeel, op deze aarde, ja in het complete zonnestelsel waarin de Schepper ons geplaatst heeft, waren er destijds maar twee mensen die mijn Missie kenden: mijn vader Sasbold Demetriuszoon en ik. Bovendien was mijn vader overleden, hoewel zijn Beginselen natuurlijk wel wat makkelijk toegankelijk lagen opgeslagen in de schoendoos (laarzen maat 42). Maar ik was gewaarschuwd; op Kattenbaai hoorde je met enige regelmaat verhalen dat er in de Hoofdstad ingebroken werd. Of mensen op straat overvallen, beroofd en neergestoken om er hollend of op scooters vandoor te gaan met de eigendommen van het beduusde slachtoffer. Ja, ik wás gewaarschuwd. Ik liet de gloeilamp zakken – het pirtje – deed een paar passen omhoog langs de donkere trap, en stak door mijn de spijltjes mijn rechterhand in een begroeting naar de onzichtbare vrouw toe, althans naar de plek waar ik haar vermoedde. Maar mijn hand kwam terecht in de natte, warme bek van een middelgrote, langorige hond. -Dat zou ik niet doen, zei de stem zachtjes; -Ik heb hem te logeren en geen flauw idee hoe hij is. Het kreng heet Schimanski. En jij? Ik trok mijn hand behoedzaam terug uit de hond. Bijna had ik gezegd: Dit kreng heet Gandulf Sasboldszoon en komt vanop Kattenbaai. Maar het diepe gebrom van de hond was mij een onmiskenbaar teken tot zelfdiscipline. Bovendien vereiste mijn Missie – de lezer moge dit niet uit het oog verliezen – geheimhouding, discretie en onopvallendheid; ik mocht niemand tegen mij in de annannas jagen. En de zacht hijgende hond gaf mij een wijs en nuttig gezegde ter overweging: maak geen slapende honden wakker. Ik zei op wat ik voor een rustige toon hield: -Ik, mevrouw, ben Gandulf Sasboldszoon vanop Kattenbaai. Kattenbaai in het Noordwesten. Kent u Kattenbaai? -Ik dacht het niet. Klinkt ook niet echt aanlokkelijk. En wat doe jij hier in mijn gang, Garnulf Asboutszoon? -Nee, nee! Gan-dulf Sas-bolds-zoon. U moogt mij Gandi noemen. Zo sta ik althans op Kattenbaai bekend. -Dat gezeik met namen... Houdt dat nooit eens op? Maar ik vroeg wat je hier in mijn gang uitvoert. Hoe kom je hier binnen? Heb je een sleutel? Heeft iemand je binnengelaten? Zekere die Iraeneus Eusebiuszoon hier beneden met zijn stonede hersens. Het viel mij op dat haar stem en timbre – gezien en gehoord wat ik in de Hoofdstad tot nu had opgepikt – tamelijk beschaafd klonk. Ik kon echter geen exacte topografie aan haar uitspraak koppelen. -U stelt een hoop vragen tegelijk, mevrouw. Of is het juffrouw? -Juffrouw, Juffrouw!!! Jezus Christus man, waar kom je vandaan?! Ja dat heb je al gezegd: Hondenbocht... -Kattenbaai! riep ik harder dan strikt noodzakelijk; -Wilt u overigens de n... -Kattenbaai, Kattenbaai, sprak ze , het woord voorzichtig proevend; -Bah – ik zie het voor me, onderbrak ze mijn verzoek het Derde Gebod in acht te nemen. Inmiddels was de hond – net als de vrouw onzichtbaar in het duister – tussen ons in komen staan. Maar nu, in het vage licht, kon ik onderscheiden dat het – ik heb het over de hond – een spaniëlachtig ras was, groter dan een Cocker, kleiner en hariger dan de meeste jagers. Ongeveer de maat van een welsh Springer. -Wat is dit voor ras? vroeg ik, en streek de hond zachtjes over de lange oren. Het gebrom hield op. -Schimanski, zei ik op fluisterttoon. Ik verwachtte elk ogenblik de blikkerende tanden van de jachthond in mijn handbeenderen te voelen haken, dwars door het vlees heen, maar het beest ademde er alleen maar op. Als mijn en wijlen mijn Vaders Missie wilde slagen, dan mocht ik niet opzien tegen risico’s. Mijn lafheid had ik thuis op Kattenbaai gelaten. Zocht ik hier in het donker trapportaal naar een situatie waarin een ernstige verwonding op de loer lag, om mijzelf en wijlen mijn Vader van mijn durf te overtuigen? Of bracht ik net zo onbewust de Missie in gevaar – juist uit lafheid? Dit soort mechanismen had ik goed bestudeerd in het boekje Psychologie voor Iedereen dat ik uit de Kebaaise Leeszaal geleend had. U ziet, waarde lezer, ook al liggen wij daar wat achteraf van het wriemelend wereldtoneel, de Leeszaal is goed voorzien. Om nog maar over hersens te zwijgen. -Schimanski... -Het zijn jouw vingers, jongen, sprak de vrouw scherp. Zijn ras? Geen idee. -U tutoyeert hier in de Stad, nietwaar... Ik moet daar nog aan wennen. Maar mag ik u vragen naar uw naam? Ik ging een trede hoger staan. Boven de balustrade zag ik de omtrekken van een hoofd en bovenlichaam, die zich meteen terugtrokken uit mijn blikveld. Ik hoorde en rook dat ze een sigaret had opgestoken, maar ze hield haar handen om de gloeiende punt heen. Ze sprak haar naam uit tegelijk met een stroom verwerkte rook, die uit de diepten van haar longen kwam, zo floot en siste alles. Ook ik trok uit mijn jaszak mijn tabaksbuidel tevoorschijn en begon een sigaret te rollen. -Mederarda. -En uw patronimicum, als ik vragen mag? -Mijn vader heet Altman. Ik ben Mederarda Altmansdochter. Hij Altman Thomaszoon. Dan Thomas Childericszoon. Childeric Vestertszoon. Vestert Laurentiuszoon. Laurentius Asseltszoon. Asselt Fortunatuszoon. Fortunatus Reginbalduszoon. Reginbaldus Fedesszoon. Fedde Catharinuszoon, Catharinus Catharinuszoon III, Catharinus Catharinuszoon II, en nog een keer Catharinus Catharinuszoon, maar dan de Eerste. Zijn vader had geen patronimicum en was niet van hier. -Maar mevrouw! Dat is geweldig, de vier Catharini zijn ook voorvaderen uit mijn familie! riep ik meer dan verheugd; -Die naam leeft tot op vandaag nog in mijn familie op Kattenbaai voort. Caat de Bouwer, Caat de Korporaal, Caat de Brandweerman... Wij zijn verwant! Komen uw voorvaderen ook uit Jankenberg? En ik stak mijn hand wederom tussen de spijlen, om Mederarda Altmansdochter de hand te schudden. Ik bedoel, dat is niet niets, in de verre grote donkere Hoofdstad opeens oog in oog te staan met een familielid. De hond begon zo dreigend te grommen, dat ik mijn hand terugtrok. -Mag ik u vragen van waar u geboortig bent, Mederarda Altmansdochter? Ze zuchtte, alsof het volgende haar zwaar viel: -We komen vanop Haringstrand. -Haringstrand bij Breedblik waar de Wolfsbeek uitmondt? riep ik verheugd, want ik kende die plek. -Ik ben daar nooit geweest, hernam ze. -De topografie van ons land kent weinig geheimen voor mij! Vraagt u maar, Mederarda Altmansdochter! -Goed, sprak ze schor, en nog steeds onzichtbaar; -Wat kom je hier uitspoken helemaal uit Kattenbocht? -Kattenbaai. -Kattenbaai dan. Kom je hier van Chunni? Iets ophalen, repareren, installeren? O ja je vroeg om een trappetje. -Nee nee, haastte ik me te zeggen; -Ik ben geen handwerksman, maar student Techniek en Electronica aan het Koninklijk Pedagogisch College! Dat heeft u wellicht wat op het verkeerde been gezet. -Hoeveelstejaars dan? -Eerste. Aanstaande maandag is mijn eerste les. -College heet dat. Dan zien we elkaar nog wel. -U bedoelt? vroeg ik beleefd. -Ik bedoel dat ik ook aan het PeCol studeer. Ik doe het eerste jaar nog een keer. Al mijn tentamens verziekt. Geen enkel sudiepunt. -PeCol? -Wat moet je nou met een trapje? -Ik eh – begrijpt u mij niet verkeerd; ik ben uw nieuwe benedenbuurman. Per vandaag ben ik huurder! -Vreemd, zo midden in de maand. Ik haalde even adem om wat ik ging zeggen extra nadruk te geven: -Ik heb connecties... Een neef van mij – toevallig een zoon van de Catharinus Demetriuszoon over wie ik het had, Caat de Brandweerman – een neef van mij dus kent de huisbaas. -Soekhlal? -Nee, hij heet Chunni. Dewkoemar Chunni. Hier klopt iets... -Tuurlijk klopt het, gek. Ik wou alleen even checken of je bona bent. En nou weet ik nog niet wat je met dat trappetje moet. -Hier, wees ik op de gloeilamp; -Ik wil beneden wat zien. Ik kan het sleutelgat van mijn kamer niet eens vinden. En hier hebt u ook geen licht, zie ik. Een stoel is ook goed hoor. Ze zuchtte diep en langdurig. Ik meende, de lucht in haar longen te horen sissen. Ze draaide zich om en verdween in de deuropening achter zich, om even daarna met een eettafelstoel terug te keren, die ze over de trapleuning heen zwaaide. Nog voor ik hem aanpakte, liet ze hem los, maar de stoel kwam in mijn greep. Helaas liet ik in de reflex de gloeilamp vallen. -Als je klaar bent met die stoel, zet je hem maar naast mijn deur. Niet beneden laten staan, anders verpatst Irenaeus Eusebiuszoon hem, die gore junk. Die hond schop je maar opzij. Hij schijnt je wel te mogen. -Is dit uw woning, informeerde ik. -Je moet niet zoveel vragen, antwoordde ze; ze draaide zich om en verdween de kamer in. De deur ging achter haar toe. Daar stond ik in het donker, samen met Schimanski de hond. -Kom maar Schimi, dan gaan we samen een bol indraaien, een pirtje – want U weet mar noit. Met de hond op mijn hielen draaide ik zowel op de eerste etage als op de begane grond een gloeilamp in de kale fitting. In een zee van licht raapte ik wat reclamefolders van de trap, om het risico van uitglijden te beperken. Meteen punten Bij ons heb U meer in de tas! Varkessnitzel Sat Reciever Andriod Netboek Primium Pils Ertjes Zeer Fijn las ik in het volle licht. Ik opende eindelijk de deur van wat voorlopig mijn woning in de Hoofdstad zou zijn, net zolang tot mijn Missie volbracht was. Ook daar in de kamer werkte geen enkele lamp, maar gelukkig had ik nog een pirtje over. Het stonk er naar zandbak, maar met een niet eens onaangename ondertoon van vanille. Ik ging op de brede vensterbank zitten, draaide de kraan van de radiator open en haalde de schoendoos (laarzen maat 42) uit mijn tas. Ik draaide me zo, dat wat ik las absloluut onzichtbaar was vanaf de straat. Nr 12 Vage Willem ligt met zijn vrouw onder een deken op het nachtelijk kerkhof. Hij probeert de angst weg te denken: dit kan niet echt zijn; wij zijn hier niet. Daarnet schoot er iemand op de fiets tussen de grafstenen. Maar er komt iemand aangelopen uit de richting van de Schuur der Zestig Biervlessen. Vage Willems vrouw schrikt wakker, ze gilt en verdwijnt nog dieper onder de deken. Prettig vooruitzicht, mompelt ze, zo nog drie weken te moeten kamperen. Ze kruipen onder de deken vandaan en stellen vast dat het flink gevroren heeft: de Landsvlag, gisteravond nog nat en slap aan zijn stok, is nu stijf bevroren. Tok, tok doet het als Vage Willem erop klopt. Laten we maar naar het zuiden gaan, stelt hij voor, en op dat ogenblik krimpt het berglandschap waarin ze zich bevinden tot een landkaart met reliëf. Maar meteen zwelt alles weer aan, alsof het land ademt. Vage Willem ontdekt dan dat het landschap synchroon met zijn eigen ademhaling inkrimpt en uitdijt. Dieren dromen altijd, ook overdag. [Uit de Beginselen van Sasbold Demetriuszoon.] WORDT VERVOLGD---- Zie voor meer bijzonderheden de site http://boekenopener.punt.nl van revers locker. Meer kritisch werk van de auteur Van Poortland op http://boekenopener.paginapunt.nl .
| |
| |
|